Deel via

Baarmoederhalskanker is kanker van de baarmoederhals. Bij het ontstaan van baarmoederhalskanker speelt het humaan papillomavirus (HPV) een belangrijke rol.

Bij baarmoederhalskanker groeit er een tumor in de baarmoederhals. Baarmoederhalskanker heet ook wel cervixcarcinoom.

Cijfers over baarmoederhalskanker
Baarmoederhalskanker komt niet zo vaak voor. Per jaar krijgen ongeveer 900 vrouwen deze diagnose. Meestal gaat het om vrouwen tussen de 30 en 59 jaar.

In de media
Olijf is regelmatig in de media (geweest) met artikelen over baarmoederhalskanker, de HPV vaccinatie en ervaringsverhalen over de gevolgen van baarmoederhalskanker. Bekijk het overzicht >>

Soorten baarmoederhalskanker
Er zijn verschillende soorten baarmoederhalskanker. Meestal ontstaat baarmoederhalskanker uit plaveiselcellen. Dit heet een plaveiselcelcarcinoom.

Symptomen baarmoederhalskanker

Baarmoederhalskanker ontstaat heel langzaam. In het begin zijn er vaak geen klachten. De eerste symptomen zijn meestal:

  • bloedverlies na het vrijen
  • bloedverlies tussen de menstruaties door
  • afscheiding die er anders uitziet dan je gewend bent

Deze klachten kunnen ook andere oorzaken hebben. Maar ze zijn altijd een reden om naar de huisarts te gaan.

Oorzaken baarmoederhalskanker

HPV
Baarmoederhalskanker ontstaat meestal door een jarenlange besmetting met het humaan papillomavirus (HPV). Het HPV wordt vaak via seksueel contact overgebracht.

Vaak ruimt het lichaam een HPV-infectie zelf op en merk je er weinig van. Als dat niet gebeurt, kunnen afwijkende cellen in de baarmoederhals ontstaan. Je kunt dan een voorstadium van kanker krijgen, wat uiteindelijk tot baarmoederhalskanker kan leiden.

HPV-infecties zijn eigenlijk niet te voorkomen. Je beperkt de kans op overdracht van het virus door condooms te gebruiken. Het virus kan tijdens het vrijen ook op andere plekken komen. Bijvoorbeeld aan de handen en in de mond. Je kunt dus ook nog besmet raken als je een condoom gebruikt.

Lees meer over HPV en baarmoederhalskanker op Kanker.nl >>

Bekijk ook de praatkaart 'HPV en kanker' van Olijf >>

HPV vaccinatie
Meisjes krijgen in het jaar dat ze 13 worden een vaccinatie tegen HPV aangeboden. De inenting voorkomt infectie van 2 hoog risico HPV-types. Vanaf 2021 wordt deze vaccinatie met 9 jaar aangeboden aan zowel meisjes als jongens.

Roken
Baarmoederhalskanker komt vaker voor bij vrouwen die roken. Roken beïnvloedt het afweersysteem. Hierdoor kan het afweersysteem meer moeite hebben om een HPV-infectie op te ruimen.

Anticonceptiepil is geen risicofactor
De anticonceptiepil is geen risicofactor voor baarmoederhalskanker.

DES-dochters
DES-dochters zijn vrouwen van wie de moeder tijdens de zwangerschap het hormoon DES heeft gebruikt. DES-dochters hebben meer risico op baarmoederhalskanker dan andere vrouwen. Het gaat om een ander type baarmoederhalskanker dat niet wordt veroorzaakt door HPV.

Bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker

Heb je vragen over het bevolkingsonderzoek, de uitnodiging of de uitslag? Ga dan naar de website van het RIVM, die het bevolkingsonderzoek coördineert. Hier staan ook antwoorden op veel gestelde vragen.

Alle vrouwen van 30 tot en met 60 jaar krijgen van het RIVM een uitnodiging voor het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker, dus voor het laten maken van een uitstrijkje.

Het uitstrijkje wordt in het screeningslaboratorium eerst onderzocht op de aanwezigheid van het humaan papillomavirus (HPV). Als het virus niet aanwezig is (HPV-negatief), is er vrijwel geen risico op een voorstadium. Als dit virus wel aanwezig is, wordt ook meteen gekeken of er afwijkende cellen uit de baarmoederhals in het uitstrijkje zitten. Dat kan namelijk betekenen dat er een voorstadium aanwezig is. Maar dat hoeft niet. Lang niet iedereen die HPV-positief is, heeft een voorstadium of krijgt er een. Je lichaam is het virus misschien nog aan het opruimen.

Ben je 40 of 50 jaar en komt uit het onderzoek dat je geen HPV hebt? Dan ontvang je 10 jaar later weer een nieuwe uitnodiging.

Meedoen kan door een afspraak te maken met je huisartsenpraktijk voor het maken van een uitstrijkje. Bij dit bevolkingsonderzoek maakt de huisarts of de assistente een uitstrijkje.

Uitslag bevolkingsonderzoek
Als je meedoet aan het bevolkingsonderzoek kan je de uitslag krijgen dat:

  • er geen HPV gevonden is. Geen HPV in een uitstrijkje geeft meer zekerheid dat er binnen 10-15 jaar geen baarmoederhalskanker ontstaat.
  • er in het uitstrijkje wel HPV is gevonden, maar geen afwijkende cellen. Dan word je voor de zekerheid 6 maanden later uitgenodigd voor een controle-uitstrijkje bij de huisarts.
  • er in het uitstrijkje HPV en afwijkende cellen zijn aangetroffen. Je krijgt dan een doorverwijzing naar de gynaecoloog voor vervolgonderzoek.

Als je een uitstrijkje laten maken lastig vindt en daarom niet mee wil doen, dan kun je bij de screeningsorganisatie een zelfafnameset aanvragen. Daarmee kun je zelf materiaal uit je vagina afnemen dat in het laboratorium getest wordt op HPV.

Voorstadium van baarmoederhalskanker
Met dit onderzoek kan al vroeg worden ontdekt of een vrouw baarmoederhalskanker of een voorstadium daarvan heeft. Door het opsporen en behandelen van een voorstadium kan baarmoederhalskanker voorkomen worden.

Het voorstadium van baarmoederhalskanker heet CIN. De oorzaak van CIN is een infectie met het humaan papillomavirus (HPV). Een voorstadium betekent dat de cellen afwijken, maar geen kanker zijn. Afhankelijk van de CIN-indeling en een aantal persoonlijke factoren kan de arts een behandeling voorstellen:

  • lisexcisie: de arts brandt de afwijkende cellen weg met een heel dun metalen lusje, met plaatselijke verdoving.
  • conisatie: de arts snijdt een kegelvormig stukje weefsel weg met een mesje, onder algehele narcose of met een ruggenprik.

Onderzoek en diagnose baarmoederhalskanker

Bij de huisarts
Bij een vermoeden van baarmoederhalskanker krijg je eerst een lichamelijk onderzoek van de huisarts. Daarbij hoort ook een inwendig onderzoek met uitstrijkje.

Bevat het uitstrijkje afwijkende cellen of denkt je huisarts dat je misschien baarmoederhalskanker hebt, dan verwijst hij je naar een gynaecoloog.

Bij de gynaecoloog
Er zijn verschillende onderzoeken nodig om te kunnen bepalen of er sprake is van baarmoederhalskanker. En of er uitzaaiingen zijn.

De onderzoeken vinden in het ziekenhuis plaats, meestal door een gynaecoloog. Dit is een arts gespecialiseerd in ziektes aan de vrouwelijke geslachtsorganen.

De belangrijkste onderzoeken bij baarmoederhalskanker staan hieronder genoemd. Niet alle onderzoeken zijn altijd nodig.

Gynaecologisch onderzoek
De arts gebruikt bij het gynaecologisch onderzoek een eendenbek (speculum) om de vagina en de baarmoedermond te bekijken. Tijdens het onderzoek neemt de arts een stukje weefsel weg. Dit heet een biopsie. Een patholoog onderzoekt het weefsel in het laboratorium. Daarna bevoelt de arts de binnenkant van de vagina en de endeldarm. Meestal volgt ook nog een inwendige echo.

Na het gynaecologisch onderzoek is het soms nog nodig de vagina onder narcose te onderzoeken.

Baarmoederhalskanker kan uitzaaien naar de lymfeklieren in het bekken. Daarom onderzoekt de arts altijd het bekken en de buikholte om te kijken of daar uitzaaiingen zijn. Dat kan door middel van een CT-scan en/of MRI-scan. Soms is ook nog een PET-CT-scan nodig.

CT-scan
Als het nodig is, onderzoekt de arts hoever de tumor zich heeft uitgebreid en of er uitzaaiingen zijn.

Op een CT-scan zijn organen en weefsels heel precies te zien en dus ook de precieze plek van de tumor. Het scan-apparaat maakt gebruik van röntgenstraling en een computer.

De patiënt ligt op een tafel en schuift door de ronde opening van de CT-scanner. Tijdens het onderzoek maakt het apparaat een serie foto’s. De CT-scanner maakt ook uitzaaiingen zichtbaar.

Soms is het gebruik van contrastvloeistof nodig. Dit kan het resultaat van de scan duidelijker maken. De medewerker van de afdeling Radiologie dient de vloeistof via een infuus toe, of de patiënt krijgt het als drankje. Sommige mensen zijn overgevoelig voor contrastvloeistof. Het is belangrijk om dit voor het onderzoek aan de arts te melden.

MRI-scan
Een MRI-scan werkt met een magneetveld, radiogolven en een computer. Het scan-apparaat maakt foto’s in de lengte of de breedte van het lichaam. Zo kan de arts een mogelijke tumor en/of uitzaaiingen zien.

Tijdens dit onderzoek ligt de patiënt in een soort koker of tunnel. Sommige mensen vinden dit benauwend. Het apparaat maakt veel lawaai. Een koptelefoon met muziek kan helpen.

Soms is naast een CT-scan ook een MRI-scan nodig. Of de MRI-scan wordt gemaakt in plaats van de CT-scan.

PET-CT-scan
Een PET-CT-scan is een gecombineerd onderzoek van tegelijkertijd een PET-scan en een CT-scan.

Op een PET-scan kan de arts kankercellen onderscheiden van gewone cellen. Op een CT-scan zijn organen en weefsels heel precies te zien. Met een PET-CT-scan is daarom goed te zien waar in het lichaam de kankercellen precies zitten.

Eerst krijgt de patiënt een licht radioactieve vloeistof in een bloedvat ingespoten en moet daarna een tijdje stil liggen in een aparte kamer. Wanneer de kankercellen genoeg radioactieve stof hebben opgenomen, kan de scan gemaakt worden.

Het apparaat heeft een ronde opening waar de patiënt op een tafel een paar keer doorheen schuift. De scanner maakt foto’s vanuit alle hoeken.

Echografie van de urinewegen
Met een echografie van de urinewegen kan de arts zien of er de kanker is doorgegroeid in de urineleider(s).

Echografie is een onderzoek met geluidsgolven. Deze golven hoor je niet. De weerkaatsing (echo) van de golven maakt organen en weefsels zichtbaar op een beeldscherm. Zo kan de arts de organen in het lichaam bekijken en een mogelijke tumor en/of uitzaaiingen zien.

Tijdens het onderzoek smeert de arts of echolaborant gel op de huid. Hij of zij beweegt een klein apparaatje over de huid dat de geluidsgolven uitzendt.

De diagnose baarmoederhalskanker
Naar aanleiding van de uitslagen van de onderzoeken is er een gesprek met de arts. Als het om baarmoederhalskanker blijkt te gaan, zal de arts meer uitleggen over de tumor. Bijvoorbeeld hoe uitgebreid de kanker is (het stadium) en of de kanker is uitgezaaid. Lees meer over de verschillende stadia >>

Het is belangrijk om iemand mee te nemen naar dit gesprek. Twee horen meer dan één. Ook kan het handig zijn om het gesprek op te nemen. Dan is later terug te luisteren wat de arts heeft gezegd. Overleg dit van tevoren altijd even met de arts.

In het gesprek stelt de arts een behandeling voor. Het is tegenwoordig heel gewoon om mee te beslissen over de behandeling.

Deze 3 vragen kunnen helpen tijdens het gesprek:

  • Wat zijn mijn mogelijkheden?
  • Wat zijn de voor- en nadelen van deze mogelijkheden?
  • Wat betekent dat voor mijn situatie?

Uitzaaiingen
Baarmoederhalskanker kan uitzaaien. Als baarmoederhalskanker uitzaait, is het meestal naar de lymfeklieren in het bekken of langs de grote lichaamsslagader (aorta).

Soms zaait baarmoederhalskanker via het bloed uit naar andere delen van het lichaam, zoals de longen of lever.

Behandeling baarmoederhalskanker

Bij baarmoederhalskanker zijn meerdere behandelingen mogelijk. Het ligt aan de soort baarmoederhalskanker, de ernst van de ziekte en de conditie van de patiënt welke behandeling de arts voorstelt. Het is ook mogelijk om af te zien van een behandeling.

De behandeling van baarmoederhalskanker kan gevolgen hebben voor de vruchtbaarheid. Voor vrouwen met een kinderwens is het belangrijk om dit onderwerp voor de start van de behandeling met de arts te bespreken.

Operatie
Een operatie gebeurt vooral bij baarmoederhalskanker in een vroeg stadium. Er zijn verschillende soorten operaties bij baarmoederhalskanker:

  • Conisatie: kleine operatie aan de baarmoederhals
  • Hysterectomie: verwijdering van de baarmoeder
  • Radicale hysterectomie of Wertheim-operatie: uitgebreide operatie waarbij de arts de baarmoeder, een stukje van de vagina en de ophangbanden van de baarmoeder verwijdert
  • Trachelectomie: baarmoedersparende operatie

Soms moet de arts ook de lymfeklieren in het bekken wegnemen.

Bestraling
Bestraling is bij baarmoederhalskanker vaak een behandeling in combinatie met chemotherapie. Dit heet chemoradiatie. Soms is een combinatie mogelijk van bestraling en hyperthermie (warmtebehandeling).

Bestraling kan ook een aanvullende behandeling zijn na een operatie om de kans op terugkeer van de kanker kleiner te maken. Ook dan is dat vaak in combinatie met chemotherapie of hyperthermie.

Bij uitzaaiingen van baarmoederhalskanker op andere plekken in het lichaam kan bestraling helpen, bijvoorbeeld bij pijn door botuitzaaiingen.

Meestal is bij baarmoederhalskanker eerst uitwendige en dan inwendige bestraling nodig.

Bij uitwendige bestraling komt de straling uit een bestralingstoestel. De bestraling gaat van buitenaf door de huid heen. De radiotherapeut en radiotherapeutisch laborant bepalen nauwkeurig de hoeveelheid straling en de plek van de bestraling. Hiervoor maken ze een CT-scan en plaatsen ze enkele tatoeagepuntjes op de huid. Zo kunnen zij op het bestralingstoestel de juiste instelling makkelijker terugvinden.

Bij inwendige bestraling plaatst de bestralingsarts tijdelijk een radioactieve bron in of bij de baarmoederhals en/of het bovenste deel van de vagina. Dit radioactieve materiaal geeft straling af. Een ander woord voor inwendige bestraling is brachytherapie.

Chemotherapie
Chemotherapie is bij baarmoederhalskanker vaak een behandeling in combinatie met bestraling. Dit heet chemoradiatie.

Chemotherapie kan ook een aanvullende behandeling zijn voor een operatie of een behandeling met bestraling.

Bij uitzaaiingen van baarmoederhalskanker kan chemotherapie om de ziekte te remmen en klachten te verminderen.

Chemotherapie is een behandeling met medicijnen die kankercellen doden of hun celdeling remmen. Meestal wordt chemotherapie via een infuus in een ader gegeven.

Na de behandeling volgt een rustperiode van enkele weken. Zo’n cyclus van behandeling en de rustperiode heet een chemokuur. Een behandeling bestaat meestal uit meerdere chemokuren.

Een behandeling is niet verplicht
Het is nooit verplicht om een behandeling te volgen. Afzien van een behandeling kan altijd.

Gevolgen baarmoederhalskanker

Leven met kanker is niet vanzelfsprekend. Kanker en de behandeling ervan hebben vaak grote invloed op het dagelijks leven. Niet alleen op het lichaam maar ook op de geest. De behandeling van baarmoederhalskanker heeft vaak gevolgen, soms voor de rest van het leven.

Vrouwen met baarmoederhalskanker kunnen te maken krijgen met de volgende klachten:

Seksuele problemen
Door chemoradiatie of bestraling wordt de vagina-ingang nauw of stug. Hierdoor kan geslachtsgemeenschap moeilijker zijn, of anders aanvoelen. Vaak is ook het gebied rond de vagina minder gevoelig. Andere klachten kunnen zijn: pijn bij het vrijen of geen orgasme meer kunnen krijgen. Een veranderd zelfbeeld en emoties rondom het verwerken van kanker hebben vaak ook invloed op seksualiteit en intimiteit.

Bespreek deze klachten met je arts en vraag eventueel een verwijzing naar een seksuoloog. Deze zorgverlener kan je helpen met klachten op seksueel gebied.

Bekijk ook de praatkaart 'Vrouwenkanker en seks' van Olijf >>

Plasproblemen of problemen met de ontlasting
Na de operatie of bestraling kunnen plasklachten ontstaan, zoals vaker moeten plassen, ongewild urine verliezen of niet goed uit kunnen plassen.

Na bestraling van de endeldarm kan de endeldarm ontstoken raken. Dit kan een verhoogde aandrang of loze aandrang veroorzaken.

Lymfoedeem
Zijn er lymfeklieren uit de liezen verwijderd of bestraald, dan kan er vochtophoping in de benen ontstaan (lymfoedeem). De benen kunnen dan zwaar, vermoeid, strak of pijnlijk aanvoelen. Later kunnen de benen ook dikker worden. Oedeemtherapie kan helpen om klachten verminderen.

Vermoeidheid
Vermoeidheid na kanker komt veel voor. Ook bij vrouwen met baarmoederhalskanker. Dat kan door de ziekte zelf komen, maar ook door de behandeling. Als de vermoeidheid er 6 maanden na de behandeling nog is, heet het chronische vermoeidheid. De arts kan hier een oplossing voor zoeken, bijvoorbeeld hulp van een psycholoog.

Vervroegd in de overgang komen
Sommige behandelingen bij baarmoederhalskanker kunnen de eierstokken beschadigen. Een vrouw die niet in de overgang is, kan daardoor eerder in de overgang komen.

Kanker en de behandeling ervan hebben vaak een grote invloed op het dagelijks leven. Sommige gevolgen hebben die met de ziekte zelf te maken. Andere met de behandeling. Ook je leeftijd en lichamelijke conditie spelen een rol.

Vind hulp

Verschillende zorgverleners kunnen extra begeleiding bieden. Zowel in als buiten het ziekenhuis. Probeer iemand te vinden die ervaring heeft met het begeleiden van mensen met kanker.

Lees verder op kanker.nl >>

Meer informatie, ervaringsverhalen en gespreksgroepen

De informatie op deze pagina is een samenvatting van de -mede door Olijf geschreven- informatie op www.kanker.nl.

Wil je meer lezen over baarmoederhalskanker? Ga dan naar de bibliotheek van Kanker.nl.

In de online gespreksgroepen op kanker.nl kun je lotgenoten ontmoeten, vragen stellen en kennis en ervaringen vinden of delen. Vrijwilligers die ook bij Olijf actief zijn en andere (ex-)patiënten helpen je daar verder.

Stel je vraag aan een professional
Je kunt ook een vraag stellen aan dr. Cor de Kroon, gynaecoloog-oncoloog bij het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC).

Op kanker.nl vind je ook blogs van deelnemers, meer dan 40 van hen schrijven over hun ervaringen met baarmoederhalskanker.